JE BENT TENMINSTE GEZOND

JE BENT TENMINSTE GEZOND

Eerder gepubliceerd mei 2020- voorspellende column

‘Je bent tenminste gezond’, zei zijn buurvrouw. Het geblondeerde haar wapperde voor haar gezicht, terwijl haar jonge labradoodle een ruk gaf aan de lijn. Ze verloor haar evenwicht. Zijn eigen hondje snuffelde tussen de jonge rietstengels langs de sloot. Civil was blij dat er meer dan anderhalve meter tussen hen in zat, want het liefst had hij haar op haar smoel geslagen.
Hij had zijn vuisten dieper in zijn vest gestoken en was doorgelopen. Nog zo eentje die hij vaak te horen kreeg: ‘Je vindt er wel wat op, dat doe je altijd.’ Hij had zich keurig gedragen door niet direct steun aan te vragen. Dat werd ook verzocht; als de nood niet aan de man was, of je dan later wilde aanvragen. Dan konden de ambtenaren de druk verspreiden en echte noodgevallen het snelst helpen. Hij had geld voor investeringen aan de kant gelegd, dus hij kon wel even wachten. Maar in de tweede week al deden de miljoenen-bedrijven een beroep op overheidssteun. Op TV stelden niemand hen de vragen die Civil steeds kreeg, zoals deze: ‘je hebt toch wel een buffertje?’ Was het dan gebruikelijk dat die grote bedrijven jaarlijks álles uitkeerden aan aandeelhouders en bonussen voor de directieleden? Civil zou wel te dom zijn om de argumentatie achter de miljarden steun te begrijpen.
Hij werd er onzeker van en vooral misselijk, had zijn keurige gedrag resoluut opzij gezet en steun aangevraagd. Een ambtenaar had hem ’s avonds laat zelfs nog gebeld en hem verteld dat hij graag overuren maakte omdat anderen zo in de problemen zaten. Het was een zachtmoedige man, dat kon Civil horen aan zijn verlegen stem. De man had het erg gevonden voor Civil. De vriendelijke woorden deden hem goed.
Een paar duizend euro kreeg hij, 10% van zijn volledige omzetverlies… tot nu toe dan. Hij had het binnen een week binnen. Precies genoeg voor drie weken, dan zou het toch wel over zijn?
Na acht weken zeiden mensen tegen Civil: ‘Kop op zeg, we doen het samen.’ Hij had zijn mond gehouden. De mensen gingen door, veilig in hun salaris leunend. Sommige klaagden dat ze wel 10% van hun salaris moesten inleveren. Of dat hun afdeling wel drie weken dicht ging. Civil sloeg een arm om hen heen. ‘Toch fijn dat ze daarna weer aan de slag kunnen hè?’, knikte hij empathisch.
Hij kreeg nooit een betrokken vraag terug. Zouden mensen bang zijn voor het antwoord? Het ‘samen doen’ had hij zeker niet goed begrepen.
De koning sprak het volk toe: ‘Toen werd de keuze voor ons gemaakt. Nu maken we zelf een keuze. In het belang van leven en gezondheid.’ Civil stond achter de keuze, was trots op zijn land en koning.
Andere woorden leken over hem te gaan. Het trof hem. Civil schaamde zich direct, hoe durfde hij zijn situatie te vergelijken met die van de Joden? Toch gingen de koningswoorden over hem: ‘Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden.’
Om anderen te beschermen kon Civil niet doen waarvoor hij op aarde was. Dat was nu even zo, hij begreep het. Echt. Maar het uitzichtloze sloeg Civil lam. Niet voor lang, want creatief als hij was bedacht hij weer wat, want zo was hij: oplossingsgericht, altijd bruisend van de energie.

Mensen keken weg toen Civil de deur van zijn bedrijf sloot, ze staken op veilige afstand over naar de andere kant van de straat.
Hij liep naar huis, zijn hondje huppelde naast hem. De roodbruine vacht glansde in het zonlicht. De lucht kwam Civil al weken lang onnatuurlijk blauw voor. Toch was het zo, de zon lachte iedereen toe. De tulpen in de perken hingen slap. Hij moest hoognodig zijn eigen tuintje sproeien, zo vroeg in het jaar en dan al zo droog.
Via de winkelruiten zag hij dat zijn huid gebruind was, hij zag er goed uit. Het was warm en Civil ritste zijn jas open. Zijn telefoon sloeg tegen zijn rugtas, hij graaide hem uit zijn jaszak. De hond gaf een ruk, moest een poepje draaien. Het beestje keek weg van hem, alsof hij zich schaamde voor wat hij deed. Civil glimlachte en keek op het schermpje van zijn telefoon. Had hij likes op zijn Facebookpagina? Zijn zonnebril moest af om het goed te kunnen lezen: ‘Zeur en klaag toch niet zo’, schreeuwde iemand op social media. Hij begreep het niet. De koning had toch gezegd: ‘Niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten. Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is’ ?
De drol was nog warm toen hij het van de stoep schepte, de prullenbak was gelukkig dichtbij.

Toen trok de wind het blad van de bomen op het plein. Binnenkort gingen de cafés daar sluiten, er kwamen te weinig mensen, omdat het theater er naast gekocht was door een investeerder, die nog niet wist wat ervan te maken. Kleine musea hadden kale muren. Boekhandels hadden lege kasten, geen nieuwe boeken meer in het aanbod. De tv’s gingen op zwart. De stad werd alweer stil. Civils werk werd geveild en gekocht door directieleden van grote bedrijven. Zijn vrienden hadden zijn hondje nog gezien, toen hij een stuk kauwgom van de putdeksel likte.

Er was niks te doen! De mensen zaten wéér thuis in huis. Ze werden er boos van. ‘Waar zijn ze, die gasten die TV maken, musea vullen, boeken schrijven en podia vullen met muziek en theater?’, riepen ze.
De koning sprak: ‘Ze zijn gestopt met werken.’
‘Waren ze ziek dan?’ de mensen hadden rimpels in hun voorhoofden.
‘Nee, ze waren tenminste gezond’, de koning stak een wijsvinger in de lucht.
‘Waarom zijn ze dan gestopt met werken?’, zuchtten de mensen.
‘Ze zijn verdwenen’, antwoordde de koning kortaf. Hij krabbelde met de vinger aan zijn neus.
‘O, hadden ze dan geen buffertje?’
‘O jawel, maar die ging op.’
‘Waaraan dan?’ de mensen schudden verward hun hoofden.
‘Aan de tv-programma’s, voorstellingen en verhalen die ze steeds weer bedachten, maar niemand wilde ervoor betalen.’
‘Nu willen we er wel voor betalen! Hier, we hebben geld.’ Ze staken hun creditcards in de lucht.
‘Ik weet niet waar ze zijn, ze zijn zoek’, de koning plukte aan zijn baardje. ‘Hebben jullie ze nog gesproken?’
De mensen dachten na, keken elkaar aan, wenkbrauwen gefronst.
De koning boog zich voorover naar de mensen. ‘Ik heb nog zo gezegd, niet wegkij…’
‘Ja zeg, we wisten het toch niet?’ De mensen werden nog bozer.
‘Zij hebben hun mond niet opengedaan en daarom kunnen wij niet relaxen na deze moeilijke periode. Kunstenaars, lui en ondankbare gasten zijn het.’

ODE AAN DE STILLE HELDEN

ODE AAN DE STILLE HELDEN

-GEDICHT-

Op het kerkplein kreeg je voor een euro drank
De kok zette zuchtend afhaalzakjes op een plank
De kassière bediende zonder bescherming haar klant
Niemand ging voor de vakkenvuller aan de kant

In een kamertje vier hoog, zette zij de fluit aan de mond
Blies de Mattheus voor wie horen wilde, zij was nog gezond

Hij monteerde gepassioneerd zijn filmarchief
Het gaf inspiratie, het was ontzettend lief 

‘De kunstenaar geeft troost in deze barre tijd’ schalde de TV
Publiek laafde zich aan zijn talent, het zat niemand mee
De kunstenaar speelde en werkte ook zonder brood
De troost droogde op, want de kunstenaar was dood

De zieken knapten op, de doden werden begraven
Maar de mensen konden zich nergens meer aan laven

Want het was al een tijdje stil, het was oorverdovend
Waar is de kunstenaar? Hij was zo veelbelovend!

De pijn van de epidemie werd in stilte gedragen
Had hij er maar geld voor moeten vragen

DE ANGST VOOR DAT ALLES OPHOUDT

DE ANGST VOOR DAT ALLES OPHOUDT

De laatste weken denk ik regelmatig aan mijn oma. Hoe zij stierf en dat niet wilde, omdat ze zo graag mijn broer en mij nog wilde zien afstuderen. Dat is meer dan vijfentwintig jaar geleden. Ik begreep dat, die angst van haar. Ze lag op de IC, al een week of drie, want eigenlijk was ze al dood verwacht. Mensen kwamen en gingen, de meesten dood. Zij lag daar maar te vechten tegen het doodgaan.
Ik zie nog die verbeten blik op haar gezicht, terwijl de monitor een rechte lijn liet zien, haar gebalde vuisten en het plotselinge piepje als de hartslag er weer was.
Ik hoor nog de stem van mijn moeder, in die holle ziekenhuiszaal: ‘Als ze zijn afgestudeerd wil je de kinderen ook weer zien trouwen, zo is er altijd wel wat om voor te blijven leven.’
Mijn oma knikte: ‘Ik wil niks missen.’
Ik begreep dat. Ook ik had ook die angst voor de dood, die angst voor dat alles op zou houden. Hoe moest dat later, als ikzelf zou gaan sterven? Dat moest dan wel met vreselijke pijnen gepaard gaan, anders zou ik me er nooit aan kunnen overgeven. Net als mijn oma.
Ik praatte er in de jaren erna met studiegenoten en vrienden over; het zou net als slapen zijn. Je zou niks meer weten. Waar maakte ik me druk over? Voor mij waren hun troostende woorden pure horror. Helemaal niks meer kunnen voelen, horen of zien, één groot donker emotieloos gat, wat een vreselijke gedachte.
Weer jaren later zat ik in de Open Bak in Amsterdam naar een voordracht te kijken van een jonge theatermaker. Ik weet helaas niet meer wie. Hij zei dat het niet de angst voor het sterven is, maar de angst voor het afscheid van het leven. Voor mij een heilzaam inzicht, maar nog niet afdoende.
Deze week cremeerden we een oom van me. Hij nam het leven zoals het zich aandiende. Het fascineerde me hoe hij dat deed. Een paar dagen daarvoor sprak ik hem nog. Broos lag hij in dat hoge bed in de hospice en liet hij mij heel even zijn geheim zien. Hij zette de deur ernaar op een kier en ik mocht naar binnen gluren. Ineens zag ik het liggen. Alle frustraties, verdriet, angst, hoop en vreugde lagen daar, in hem, rustig te liggen, als een nuttig orgaan. Hij vocht er niet tegen, duwde het niet weg, wilde het niet veranderen. Hij liet het er gewoon zijn, want het zat er nu eenmaal en had een functie: het maakte hem menselijk. Zijn emoties maakten hem wie hij was. De mens zoals wij hem kenden. Dus hij klaagde niet uit frustratie, balde zijn vuisten niet om de naderende dood op wilskracht weg te sturen, huilde niet van woede en beefde niet van angst. Groots was hij toen hij zich overgaf.

SPELLETJE DOEN? MEESTE STEMMEN GELDEN!

SPELLETJE DOEN? MEESTE STEMMEN GELDEN!

Er zijn ruim 8 miljoen werkenden in de niet-publieke sector* die zich kunnen vinden in de uitspraak van het kabinet: “Voorzichtig nu is beter dan spijt achteraf”

Er zijn 1,73 miljoen** ondernemers die zeggen: “Het grootste risico is: géén risico nemen.”

En de meeste stemmen gelden dus… voorzichtigheid wint.
JOEHOE!
De minste stemmen verliezen, dus de economie ligt nog even stil, sorry, hou nog even vol en… wees voorzichtig.

De winnaars zijn in loondienst bij de verliezers.

Nou moe…nu is iedereen ineens af!
Flauw hoor. Stom spelletje.

ONMETELIJK SUCCES

ONMETELIJK SUCCES

Er is iemand die als een rode draad door mijn leven loopt, die ik steeds weer zomaar ergens tegenkom. Eerst als kind op de radio en casettebandjes van mijn ouders, dan als buurman, via George, Fred, Lenette, via Cor, Gerard naar zijn zoon. En telkens denk ik: wat een leuke man. En hij schrijft nog leuke verhaaltjes ook!
Vandaag eentje die ik graag deel met jullie, omdat deze man zo goed mijn onrust weet te vatten. En dat van de mensen met wie ik zo graag werk. Is het wel wat? Kan ik het wel? Mijn profiel zegt het: Schrijfster i.o. Ik dek me in, stel mijn doel laag (stiekem mijn hoop hoog).
En ik besef me ineens dat ik toch, héél soms, als het even niet gaat, anderen met een meetbaar vak benijd.

JACQUES KLÖTERS, 7 APRIL 2020
Ik moest vanmorgen denken dat je beter geen succes kunt nastreven. Ik zal het proberen uit te leggen: Een meubelmaker bij zijn veertigste tafeltje, een boekhouder bij zijn honderdste balans en ook een piloot bij zijn duizendste landing kan zeggen: ik beheers dit vak. Maar wij die een liedje schrijven, een voorstelling maken, aan een boek zijn begonnen, wij weten ook niet na de dertigste keer of het iets van kwaliteit zal worden of een mislukking. Je bent iedere keer weer een beginner.

Dat maakt iemand die een creatief beroep uitoefent vaak onzeker. De mislukking is nabij en het succes ook. O natuurlijk, naar buiten straalt de regisseur wel uit dat hij een vakman is en dat hij alles in de hand heeft, maar eigenlijk weet hij niet zeker of hij op de juiste weg is. Aan adviezen heeft hij weinig, hij moet op zijn kennis en ervaring, op zijn smaak maar vooral op zijn intuïtie vertrouwen. “Iets zegt me dat het niet werkt, weg met dat decor. Ja maar het kostte… kan niet schelen: een fout decor kan je hele voorstelling verknallen.” Kennis, ervaring en smaak kan je bijgebracht worden maar kun je intuïtie leren op een vakopleiding?

Altijd als ik mijn eigen gevoel opzij zette en de argumenten van anderen overnam – geld! succes! uitdaging! – kwam ik in iets terecht waar ik niet had moeten wezen. Was ik een klus aan het doen waar ik me voor schaamde, en waarover ik thuis niet durfde te vertellen.

Ik leerde me zelf geen targets op te leggen. Ik heb nooit gedacht als ik een liedje schreef: dit moet een hit worden. Ik dacht : ik moet een zo goed mogelijk tekstje schrijven. De opdracht die ik me zelf stelde, moest binnen mijn bereik blijven en de voldoening ook. Ik moest tevreden kunnen zijn met wat ik gemaakt had. Want als zo’n liedje niet die hit wordt waar je op hoopte, ben je teleurgesteld. Je moet je tevredenheid niet laten afhangen van iets wat buiten je macht ligt.

Maar soms kom je te werken in een wereld waar het succes wordt gepland, waar wel alles meetbaar en weegbaar is, waarin keiharde targets gesteld worden, omzet, kijkcijfers, luistertijdaandeelcijfers. De managers daar stellen eisen, kennen het vak, weten op welk tijdslot een tv-serie het beste tot zijn recht komt. Wat voor plaatjes de mensen willen horen. Zij denken uitsluitend na over het succes. Maar succes is nu eenmaal een mogelijk bijproduct van kwaliteit en moeilijk te plannen. Succes is geluk.

Als ik wel eens problemen heb op mijn werk, heeft het daarmee te maken: ik ben in de theaterwereld gewend mijn intuïtie te volgen, op mijn talent te vertrouwen, op mijn gevoel. De mediawereld waarin ik ook werkzaam ben, is vooral gericht op het volgen van andermans marktonderzoeken, te vertrouwen op wat zich al bewezen heeft en op het onderdrukken van de eigen, subjectief geachte, smaak.

Ik snap het wel. De wereld van film, radio en tv staat vol in het licht, er zijn grote belangen mee gemoeid, de techniek roept om vakmanschap, men kan haast niets aan het toeval of aan de intuïtie van een vage, creatieve figuur overlaten. En toch: soms gebeurt het wonder. Maar nooit gepland.

Een mooi kijkcijfer is natuurlijk prachtig, maar het intense genot te weten dat je een goed liedje hebt geschreven, beter dan je ooit geschreven hebt, een wonder van een liedje, dat is in cijfers niet uit te drukken.